fragment

Uit De zenuwsloper

De Zenuwsloper

Licht, te veel en te fel licht. Koplampen, straatlantaarns, vensters, neonreclames. Zelfs als Ella haar ogen dichtkneep kwamen ze nog op haar af. Net als de voorgevels van de eindeloze rij huizen. Dreigend helden ze voorover, dusdanig beangstigend dat een zin in haar opkwam: Bergen.  Valt óp ons. Als een tergend langzame mantra bleef het een tijdje door haar hoofd zoemen: Valt óp ons. Valt óp ons. Ze zag zichzelf verdwijnen onder puinhopen van steen. Haar vader had het vaak voorgelezen; de laatste wens van ongelovigen die zich bij Jezus’ wederkomst wilden verbergen uit angst voor Zijn toorn. Ella kon haar gedachten niet meer ordenen, haar emoties niet
meer onder controle krijgen. Moest ze het ene moment zacht grienen om haar teleurgestelde ouders, direct daarna volgde de slappe lach bij herinneringen aan de afgelopen avond.
  Lam hing ze tegen een paar rode sierkussens, die een buffer vormden tussen haar en de achterste rand van een bakfiets. 'Hoe ben ik hier toch in gekomen?' fluisterde ze traag. Om haar heen lag de gekregen huisraad. Op goed geluk pakte ze iets dat binnen haar bereik lag. Met een wazige blik bekeek ze het doosje. 'Blitzhakker' sprak ze met dubbele tong. 'Hartstikke blitssss.' Vermoeid liet ze de uiensnijder zakken.


Terug naar overzicht